Biodiversiteit is meer dan alleen een grote verscheidenheid in soorten voedsel. Het zorgt ook voor een grote verscheidenheid in structuur. En structuur vind je op grote en kleine schaal. Op kleine schaal biedt het bijvoorbeeld schuilplaats tegen de regen die we vorige week eindelijk weer hadden.
De natuur had dat even flink nodig. Tijdens de regen is het stil. Geen vogels, geen insecten. Vroeger heb ik me vaak afgevraagd waar alle dieren bleven tijdens de regen. Insecten en vogels kunnen prima schuilen. Onzichtbaar voor ons, maar als je zoekt, kan je ze wel vinden.


Op kleine schaal kan diversiteit in structuur ook schuilmogelijkheden geven tegen de zon of roofdieren. Een mooi voorbeeld kwam voor mijn neus dwarrelen toen ik mijn rondje nestkasten deed. In Achterste Erm staat aan het brinkje een van de mooiste eiken die ik ken. Prachtig, zo groot. En daar hangt ook een kastje aan. Terwijl ik kijk of de pimpelmezen aanwezig zijn, die een paar weken terug druk aan het bouwen waren, valt er een stukje tak van de boom. De blaadjes zijn nog lekker vers, dus zal wel vol rupsen zitten. En die zaten er zeker, maar goed verstopt voor de vogels. Deze bladrollers gebruiken hun zijde om het blad om zich heen vast te spinnen. Zo zijn ze uit het zicht van vogels, en hebben ze een veilige plaats om zich vol te eten.

Sommige soorten gaan veel verder dan de bladroller om de structuur van een plant aan te passen, zodat ze veilig zitten. Bijvoorbeeld het super kleine wespje dat deze gal maakt op een eik aan de Oosterlangen. Dit wespje zorgt ervoor dat de eik compleet ander weefsel aan maakt, en ondertussen kan de larve perfect beschermt in deze galappel leven. Maar helemaal beschermt zijn ze niet. Er zijn weer andere wespjes die het voor elkaar krijgen om door het weefsel van de galappel heen te prikken en eitjes te leggen ín de galwespen. En er zijn zelfs weer wespen die in díe wepsen eitjes kunnen leggen! Ik heb het zelf nooit gezien, maar met DNA technieken zijn op die manier hele voedselwebben van zulke wespen in kaart gebracht.

Dit zijn dan twee voorbeelden die ik tegenkwam van insecten die zelf structuren aanpassen. Niet aangepaste structuren zijn misschien nog wel van groter belang voor insecten. Mieren gebruiken takjes als wegen om naar boven te klimmen. En als een miniatuur safari gebruiken sommige spinnen stengels om achter te schuilen en een soort hinderlaag te leggen voor hun prooien. Veel spinnen en loopkevers hebben echt baat bij de afwisseling van hoog en laag gewas. Je kan het grasveld in je tuin een stuk vriendelijker maken voor insecten door niet alles te maaien. Looppaden houd je bijvoorbeeld wel kort, terwijl je daarnaast maar eens of twee keer per jaar maait.

In onze tuin is een aantal jaar geleden en stuk zo aangelegd, dat door de hoogte verschil en andere grondsoort er “van nature” een overgang is van open vegetatie naar hogere vegetatie, met samen een hoge planten diversiteit en hele lange bloeiperiode. In de kuilen staat het water ’s winters hoger, waardoor planten een stuk later pas beginnen te groeien. Er zijn soorten die zicht juist specialiseren op enkel hoge begroeiing of open stukken. Door de open vegetatie heb je bij ons met elke stap die je er zet een golf van sprinkhanen die wegspringen voor je voeten. Die houden juist van de warmte waar op open stukken bijna niet aan te ontsnappen is.
Als afwisseling in structuur op kleine schaal vergroot naar het landschap, kan je denken aan graslanden, in afwisseling met struweel en bossen. Soorten als veldleeuweriken ga je niet vinden als er bomen in de buurt staan. Veel te gevaarlijk voor ze, want daar gaan roofvogels op zitten! Helaas heb ik dit jaar nog nauwelijks veldleeuweriken gehoord… Maar soorten als de geelgors en de gekraagde roodstaart leven weer graag in een afwisseling van open en gesloten landschap. Diversiteit in structuur is niet alleen belangrijk. Een afwisselend landschap is ook gewoon prachtig om te zien!

Tekst & foto’s: Irene Lantman