Het pand waar jaren “de Chinees” was gevestigd, staat al lange tijd leeg. Ze zijn op een dag met de stille trom vertrokken. De tafeltjes zijn nog gedekt, gasten zullen er niet meer komen. Onlangs is het pand verkocht. Tot grote vreugd van de plaatselijke bevolking, voor wie het pand “een doorn in het oog” is, in de huidige staat. Toevallig behoor ik tot de plaatselijke bevolking. Wat nou doorn in het oog. Ik vond het hooguit jammer dat het leeg stond. In mijn fantasie heb ik er al meerdere bestemmingen voor gehad. Leuk voor een hostel, dacht ik. Na wat langer denken is een hostel misschien niet echt haalbaar in een dorp. Misschien een dagopvang voor dementerende ouderen. Hebben die ook weer een plekje. Gezellig een bakkie koffie drinken bij de buurman op het terras. Aan deze optie zitten heel wat haken en ogen. Voordat alles rond is zijn we jaren verder en is de doorn een balk geworden, vrees ik. Stel je voor, een verpauperd pand in ons dorp “op stand”. Misschien kunnen er een handjevol asielzoekers in, dacht ik nog even. Ik vermoed dat deze optie mij menig boos oog oplevert, de balk in vuur en vlam. Een menigte van mensen zou zich zo een pand wensen. Weggevlucht van huis en haard, of hutje en haard, liever gezegd. Haard staat dan voor het vuur van hun vervolgers maar dat heeft u allang begrepen, toch. Een veilig onderkomen in ons vredig dorp. Het zou ons op de kaart zetten. Stilletjes denk ik dat het de doorn en de balk niet weg zou nemen.
Afijn, verkocht! Ik vermoed aan een echte Ermenaar. Die ik dat van harte gun. Ik hoop dat ze er iets prachtigs van maken. Hun dorpsbewoners houden een en ander goed in de gaten. Ze zien weer scherp, verlost van de doorn in hun oog.

Bron: Pennenstrepen.