Erm, Gister vierden de oudste schoolkinderen van deze plaats een schoon feest. Onder geleide van hun onderwijzer en eene commissie van vijf leden trokken ze, ten getale van zeven en vijftig, met ’t opgaan van de zon, in feestdosch getooid naar de Ermerbrug, waar de schuit van Zanting, met vlaggen voorzien, ter hunner ontvangst gereed lag. Spoedig had deze hare vrolijke vracht ingenomen, werd het versierde paard voorgespannen en ging het onder ’t zingen van: “Voort, voort, nu naar de spoorwegbaan” lustig vooruit. ’t Doel van de feesttogt was Hoogeveen, om den spoortrein te zien! Na eene gelukkige reis lag de schuit te halftien voor ’t logement ‘Ogterop’, waarvan de nationale vlag wapperde, aan wal, werden de kinderen door den schoolopzienergecomplimenteerd en hun, door twee Hoogeveensche schoolknaapjes, twee vaandels aangeboden, welke in dank werden ontvangen. In orde geschaard, ging het aanstonds, onder het zingen der feestliederen van den heer ‘van der Veen Azn.’, naar ’t station. Na minzame ontvangst en eene korte rust in de wachtkamer verbeidde men, vóór en ter zijde van ’t gebouw in reiën, de aankomst van den trein. Deze liet zich niet lang wachten: “Daar komt hij! Daar komt hij!” Groot was de verwondering, vreemd de gewaarwording, opgetogen de blijdschap der kinderen, bij ’t aanschouwen van “’t vreemde voertuig’. “Het paard moest drinken hebben” – de locomotief nam water in – werd weer ‘voorgespannen’ en ‘jongens!’ mijne ooren!’ daar snort het weer heen. Zij hadden ’t gezien “zijn naderen , komen en weer gaan”. Zij hadden ’t gezien en waren verrukt, die kinderen . . . . . Nu werd de stationchef bedankt voor zijne vriendelijkheid en hem verzocht ’s middags 1 uur 50 min. nog eenmaal dezelfde vrijheid te verleenen, ’t welk heusch werd toegestaan. Daarop ging het vrolijk zingend: “Zoo’n wagen zonder disselboom”, terug naar Hoogeveen, waar allen zich ten huize van Zanting vergastten aan krentebrood en koffij. Na een half uur in vrijheid te hebben rondgesprongen, begon eene wandeling door ’t fraaiste gedeelte van Hoogeveen, werden de beide openbare lagere scholen, en ondergeleide van den heer Hensems, de begraafplaats bezocht. Van daar teruggekeerd ging het andermaal naar ’t station, waar ze nu door den heer van der Veen werden ontvangen en, na ’t afrijden van den trein, teruggeleid naar zijne woning en op koek onthaald. Nu was het: “lang leve de heer schoolopziener! lang zal hij leven!” en weder werd de wandeling voortgezet, nu naar de grote kerk. Dit in waarheid indrukwekkend gebouw, met zijn fraai orgel, wekte in hoge mate de bewondering der kinderschaar. Toen men langs ’t armenwerkhuis (een geschenk van Koning Lodewijk) terugkeerde, nam de schoolopziener afscheid van onderwijzer en kinderen, welke laatsten zich naar ’t logement Ogterop haastten, waar allen naar hartelust hun dorst leschten. Inmiddels sloeg het uur van vertrek. Onder een vrolijk ‘hoezee’ en ’t zingen van een afscheidslied, het wuiven der zakdoeken, stak de schuit van wal, doe allen behouden, vrolijk en blijde ten half acht aan de Ermerbrug aan wal zette.
Hier door vele belangstellenden opgewacht, werden zij ten huize Walkotte ten slotte op versnaperingen onthaald, waarna de togt in goede orde te voet werd voortgezet naar de ouderlijke woning, echter niet, voordat bij ieder der leden van de commissie een dank- en afscheidslied was gezongen. Te 10 ure eindelijk was men rondgekomen en alles afgeloopen, waarna ieder, hoewel vermoeid, hoogst voldaan naar ’t ouderlijk huis snelde, om te vertellenvan de dingen, die men gezien, het genot dat men gesmaakt had; om uit te rusten van de vermoeijenis, om te slapen – en te dromen van vlaggen en vaandels, van schuiten en schepen, van spoortrein en groote gebouwen en van wat niet al! – Onvergetelijk blijft de feestelijke optogt voor de Ermer schooljeugd; die van ’t begin tot ’t einde begunstigd werd door ’t fraaiste weder, dat men zich in den liefelijken Meimaand denken kan. – Lof en dank aan de commissie, die ze bestuurde, aan de heer Nijenhuis, die er de ontwerper van was, en aan allen, die mildelijk hebben bijgedragen om de kosten te bestrijden.